Home Page

Icon   TOESPRAAK DRS. VAN DER MEER
Icon   E-mail: hulp@pesten.net

onafhankelijke website www.pesten.net

Hieronder volgt de tekst van de toespraak van drs. Van der Meer, zoals hij deze hield op het symposium dat op 18 januari 2001 werd georganiseerd door het dagblad Trouw, de Vrije Universiteit, en Ouders en Coo.


ZEVEN STELLINGEN

Wanneer je De staat van het kind, Kerstbijlage 2000 van Trouw, doorleest, ontkom je niet aan de indruk dat het best goed gaat met de Nederlandse jeugd. Zonder hierop af te dingen, vraag ik echter aandacht voor een aantal niet of minder bekende onderzoeksgegevens die een ander licht werpen op de staat van het kind, waarna ik tot slot zeven punten opsom die niet zouden mogen ontbreken in de beleidsagenda voor het kind.

De onderzoeksgegevens liggen op de volgende gebieden: pesten op school, kindermishandeling/seksueel misbruik, leerlinggeweld in het voortgezet onderwijs, structureel huiselijk geweld en pesten op het werk.

Pesten op school
De onderzoeksresultaten op dit probleem zijn als volgt:
385.000 kinderen in Nederland hebben in 1992 aangegeven dat ze regelmatig tot vaker werden gepest: 330.000 in het basisonderwijs en 55.000 in het voortgezet onderwijs. Volgens de leerlingen uit het basisonderwijs greep 80% van de leerkrachten niet in. In het voortgezet onderwijs was dit: 98%. Leerlingen in het basisonderwijs vertelden het in 64% van de gevallen niet aan hun ouders: 220.000. In het voortgezet onderwijs was dit 90%, zo'n 50.000. Een op de vijf leerlingen in het basisonderwijs gaf aan dat ze regelmatig tot vaker hun klasgenoten pestten. In het voortgezet onderwijs was dit een op de zes. Onderzoek in de Scandinavische landen naar de kenmerken van pesters leverden de volgende gegevens op: ze zijn impulsief, agressief, pesten, hebben weinig empathisch (invoelend) vermogen en hebben een vier keer zo grote kans dan andere kinderen om in het criminele circuit terecht te komen.

Kindermishandeling/seksueel misbruik
In Nederland wordt altijd gezegd dat er bij benadering 50 000 kinderen worden mishandeld of misbruikt. Het NIBUD-scholierenonderzoek 1994, dat bij plus minus een miljoen kinderen tussen 12 tot 18 jaar, werd afgenomen, kwam echter op zo'n 114.000 kinderen uit. Op de vraag of zij in de thuissituatie mishandeld of misbruikt waren, gaven 93.000 kinderen aan dat ze fysiek mishandeld en 21.000 dat ze seksueel misbruikt werden. Een op de tien kinderen dus.

Leerlinggeweld in het voortgezet onderwijs
Op de vraag naar de mate waarin leerlingen in het voortgezet onderwijs in de periode september 1992 tot maart 1993 ten-minste één maal slachtoffer waren geweest van fysiek, -materieel of immaterieel geweld meldde 15% dat ze in deze periode slachtoffer waren geweest van fysiek geweld en 43% dat ze slachtoffer waren geweest van (im)materieel geweld. De mate waarin leerlingen tenminste één maal dader waren van geweld, is uit te drukken in de volgende percentages: 51% was dader van sto-rend gedrag (schelden, de orde verstoren, pesten); 7% dader van materieel geweld (stelen, vernielen, lastig vallen, chanteren, met een wapen bewerken). En was 15% dader van fysiek planmatig geweld (het berekend voorbereiden en gebruik van hard, fysiek geweld met wapens tegen personen in of buiten school, waarbij ook het beginnen van handtastelijkheid met meisjes is opgesloten).

Structureel huiselijk geweld
Het onderzoeksverslag naar niet-incidenteel, dus structureel, huiselijk geweld uit 1997 gaf de volgende resultaten:
  • Bijna de helft van de Nederlanders (45%) is ooit in zijn of haar leven slachtoffer geworden van enigerlei vorm van niet-incidenteel huiselijk geweld.
  • Ongeveer eenderde van de Nederlanders (30%) is slachtoffer (geweest) van huiselijk geweld dat lichamelijk letsel ten gevolge had.
  • Ongeveer een op de vijf Nederlanders (21%) heeft blootge-staan aan huiselijk geweld dat langer dan vijf jaar duurde.
  • Bijna eenderde van de Nederlanders (27%) is slachtoffer van huiselijk geweld (geweest) waarbij de voorvallen wekelijks of dagelijks voorkwamen.

Pesten op het werk
Onderzoek in Zweden heeft opgeleverd dat 3,5% van de beroepsbevolking werd gepest. Omdat het een representatief onderzoek was, kunnen de gegevens op de Nederlandse beroepsbevoking worden gelegd. Dit houdt in dat zo'n kwart miljoen volwassenen in Nederland op het werk wordt gepest, met alle nadelige gevolgen voor de slachtoffers.

De gevolgen
De gevolgen voor slachtoffers van alle mogelijke soorten geweld zijn schrikbarend identiek: als het geweld langer dan zes maanden duurt, lopen de slachtoffers de kans op DSM-4, een posttrauamtisch stressysndroom; ze kunnen eetstoornissen, meervoudig persoonlijkheidssyndroom of pleinvrees gaan ontwikkelen; ze kunnen depressief worden, gaan automutileren, andere mensen wantrouwen of faalangstig worden; ze krijgen in veel gevallen relationeel-seksuele problemen; ze overwegen zichzelf van het leven te beroven en voeren dit soms ook uit.

De beleidsagenda voor het kind
  1. Er dient één ministerie te komen dat zich bezig houdt met alle mogelijke vormen van geweld en de aanpak ervan. De naam van het ministerie: ministerie voor veiligheid (voorstel van D66), ministerie voor Jeugdbeleid (voorstel van een aantal specialisten op het gebied van kindermishandeling/seksueel misbruik) of ministerie voor gezin of opvoeding (voorstel van het CDA).
  2. Het probleem pesten, opgevat als lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld tussen kinderen onderling, dient nu eindelijk eens een keer door beleidsmakers serieus te worden genomen, niet afgedaan te worden met onbenullige uitspraken en dito maatregelen en structureel en preventief te worden aangepakt. Het is namelijk een voorloper van later crimineel gedrag, geweld binnen het gezin, sport- of hobbyclub en het bedrijfsleven. Het kost, nog afgezien van de ellende van veel kinderen en/of hun ouders, de maatschappij gigantisch veel geld aan curatieve oplossingen. Als beleidsmakers daar niet toe in staat zijn, en de afgelopen 12,5 jaar heeft aangetoond dat zij daartoe niet in staat zijn, wordt de vraag aan het bedrijfsleven gesteld financiën beschikbaar te stellen om dit probleem structureel aan te pakken en op te lossen.
  3. Kinderen hebben geen belangenorganisatie die voor hen opkomt. Daarom zou voor hen een Ombudsman of -vrouw moeten worden aangesteld die hun belangen behartigt.
  4. De taken van de vertrouwensinspecteurs in het onderwijs, die zich vanaf hun oprichting in 1987 slechts mogen bezig houden met de bestrijding van seksuele intimidatie, dienen te worden uitgebreid naar alle mogelijke vormen van geweld tussen de verschillende schoolgeledingen: leerlingen onderling, leerlingen-leerkrachten, leerkrachten-leerlingen, personeel onderling, school-ouders en tussen ouders en school.
  5. Risicoleerlingen en risicogezinnen dienen gesignaleerd te worden. De gegevens hierover zouden centraal moeten worden vastgelegd.
  6. Er dient structurele hulp te worden ontwikkeld voor notoire pesters.
  7. De hulp aan gepeste kinderen en volwassenen moet eindelijk eens een keer goed worden aangepakt.

Bob van der Meer

Psycholoog en als onderwijskundige vebonden aan het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) in Utrecht, Postbus 85475, 3508 AL Utrecht 030-285 6600 (algemeen) / 030-285 6766 (doorkiesnummer).


Terug


Laatst bijgewerkt d.d. 18-01-2021