Home Page

Icon   WAT DE SCHOOL KAN DOEN
Icon    E-mail: hulp@pesten.net

onafhankelijke website www.pesten.net

Pesten is niet een probleem dat zich gemakkelijk laat oplossen. Pesten speelt zich vaak in het verborgene af en dat alleen al maakt het moeilijk om er greep op te krijgen. Maar zelfs als pesten opgemerkt wordt, weten leerkrachten en andere betrokkenen vaak niet wat ze er mee aanmoeten. Toch kunnen scholen wat tegen pesten doen. Pesten kan door middel van allerlei maatregelen tegengegaan worden. Daar waar scholen er serieus hun best voor doen, maakt dit een wereld van verschil. Het is wel belangrijk dat de juiste informatie voor handen is en dat de docenten en de schoolleiding bereid zijn echt iets aan pesten te doen. Wat die informatie betreft: die zetten wij in deze rubriek nog eens op een rijtje. Wat de bereidheid van de docenten en de schoolleiding betreft: dat ligt altijd wat moeilijker. Leerkracht zijn is niet gemakkelijk. Onderwijzen vergt veel inzet, geduld en incasseringsvermogen. Het gaat nu eenmaal niet alleen om het overdragen van vakmatige kennis en vaardigheden. Docent zijn betekent ook het doen en laten van een groep jonge mensen in goede banen proberen te leiden. Daarbij gaat het niet alleen om hoe de leerlingen zich tegenover de docent opstellen; het moet ook gaan om goede verhoudingen tussen leerlingen onder elkaar. Niet alleen omdat het lesgeven op die manier beter verloopt, maar ook als doel op zich: meehelpen te zorgen dat leerlingen gewoonweg gelukkig kunnen zijn. Het tegengaan van pesten is zeker geen taak van de docent alleen. Maar de docent heeft wel een centrale positie. Zonder de kennis van zaken en inzet van de docent is het onmogelijk het pesten een halt toe te roepen.

Omdat deze rubriek nogal uitgebreid is, geven we hier eerst een korte inhoudsopgave:


Oorzaken van pesten
In de rubriek Wat is pesten? staat ook al het één en ander over de oorzaken van pesten. Hier volgt voor de volledigheid nog even een kort overzicht. Pesten is een vorm van agressie. Over de redenen waarom mensen zich agressief gedragen bestaan allerlei theorieën. Volgens de ene theorie is geweld een onontkoombaar verschijnsel dat maar het beste op een acceptabele manier kan worden gekanaliseerd. Volgens de andere theorie komt geweld voort uit frustratie en kan geweld het beste voorkomen worden door het wegnemen van ontevredenheid, door het omvormen van een agressie opwekkende omgeving en door leukere dingen als afleiding en beloning te gebruiken.
Pesten kan een aantal oorzaken hebben:

  • Een problematische thuissituatie van de pester.
    Als een kind een slechte verhouding met z'n ouders heeft en deze te weinig interesse in het kind hebben, is de kans groot dat het een pester wordt. Als agressief gedrag van het kind niet aan banden gelegd wordt, is de kans dat het kind uitgroeit tot een pester nog groter. Een kind dat thuis te weinig aandracht krijgt, gaat die op een gewelddadige manier op school proberen te krijgen.

  • Een voortdurend gevoelde anonimiteit.
    De pester voelt zich verloren binnen de grote groep en probeert van zichzelf een bepaalde belangrijke persoon te maken door een klasgenoot naar beneden te drukken. Door de anonimiteit in de klas of op de hele school is er dan ook nog eens een gebrek aan sociale controle, met andere woorden: hun klasgenoten zullen niet ingrijpen.
  • Bij voorduring in een niet-passende rol worden gedrukt.
    Het kan hier bijvoorbeeld gaan om het bij voortduring in een typisch mannelijke of vrouwelijke rol worden gedrukt; Kinderen moeten zich gaan gedragen op een manier die niet past bij wie ze zijn. Ze moeten bepaalde dingen die ze graag willen doen onderdrukken, en/of bepaalde dingen die ze juist niet willen doen, toch doen.
  • Voortdurend met elkaar de competitie moeten aangaan.
    Leerlingen leren hun eigenwaarde af te meten aan de mate waarin ze hun klasgenoten kunnen overtreffen. Ze kunnen anderen omlaag proberen te drukken omdat ze denken zo zelf beter naar voren te komen.
  • Een voortdurende strijd om de macht in de klas.
    Als leerlingen hun eigenwaarde afmeten aan hun plaats in een hoog-laag structuur veroorzaakt dit spanningen die afgereageerd kunnen worden op een zondebok.
  • Een niet-democratisch leefmilieu binnen school.
    Mogelijk heeft de docent een "autoritaire leiderschapsstijl": hij laat op een onprettige manier duidelijk merken dat hij de baas is en maakt ook misbruik van het feit dat hij dat is. Dit verstoort de harmonie binnen een groep; het levert spanningen op. Uit onderzoek is gebleken dat leerlingen in zo'n geval hun spanning veelal gaan afreageren op een zondebok, omdat het in een zo'n situatie meestal niet mogelijk is om te reageren tegen de machtige en autoritaire docent zelf.
Het tegengaan van pesten: een taak van de school?
Scholen zijn er om kinderen kennis en vaardigheden bij te brengen. Daarvoor is concentratie nodig; leerlingen moeten "bij de les" blijven. Onder normale omstandigheden is het vasthouden van de concentratie voor de docent vaak niet gemakkelijk. Als pesterijen in de klas de lessen verstoren heeft de leerkracht er een direct belang bij om hier iets aan te doen. Maar pesten is juist ook iets wat lang verborgen blijft en waarvan misschien alleen het topje van de ijsberg waarneembaar is; de docent heeft er dan zelf niet direct last van. Het aanpakken van pesten is wellicht niet de hoofdtaak van de docent, maar er zit niets anders op dan dat de onderwijzer zich hier op de één of andere constructieve manier mee bemoeit. Als de leerkracht afzijdig blijft, heeft het weerloze pestslachtoffer vaak geen schijn van kans om uit zijn ellendige situatie te ontsnappen. Vanzelfsprekend is de draagkracht van de leerkracht ook eindig. Toch heeft deze als mens wel de verantwoordelijkheid om tenminste:
  • de pestproblematiek niet naast zich neer te leggen;
  • het slachtoffer duidelijk te maken dat zijn probleem gezien en erkend wordt;
  • de pester duidelijk te maken dat zijn gedrag onacceptabel is;
  • van de situatie melding te maken aan alle partijen die misschien meer kunnen doen dan de docent zelf.
Daarnaast kan het voorkomen dat de docent zelf ook medeverantwoordelijk is voor pesterijen op de school. Dat kan een directe verantwoordelijkheid zijn in het geval deze zelf (mee)pest. Het is een indirecte verantwoordelijkheid als de docent er een autoritaire manier van lesgeven heeft of in het algemeen een negatieve houding heeft.

Ook al heeft de docent niet altijd een direct eigenbelang bij het oplossen van pesterijen; voor de schoolleiding ligt dat anders. Ouders en hun kinderen zijn niet gebonden aan één school. Zij zijn als het ware consumenten van onderwijs. Zij kunnen beslissen de school die de pestproblematiek niet serieus aanpakt uit de weg te gaan. Als ouders en hun kinderen zich steeds meer bewust worden van het belang van veiligheid op school en er steeds meer informatie beschikbaar komt over hoe scholen hiermee omgaan, riskeren scholen die te weinig tegen pesten doen "marktaandeel" te verliezen aan scholen die het wel lukt om pesten aan te pakken.

Traditionele methoden die niet werken
Traditioneel wordt als een oplossing voor pesten gezien dat het slachtoffer voor zichzelf op moet leren komen. Het probleem is alleen dat je dit het slachtoffer niet zo snel en gemakkelijk kunt aanleren; zeker niet nadat hij of zij al veel pesterijen te verduren heeft gehad. Maar al zou het het slachtoffer lukken om van zich af te leren bijten, dan nog is dit geen echte oplossing. Waarschijnlijk zal de pester immers naar een nieuw slachtoffer op zoek gaan en zo beginnen de problemen van voren af aan. Naast "maar voor jezelf op leren komen" wordt overplaatsing van het slachtoffer naar een andere klas traditioneel ook als een mogelijke oplossing gezien. Overplaatsing kan een oplossing zijn, maar kan het probleem ook verergeren. Nieuwkomers in een klas worden immers vaak als indringers gezien en lopen daardoor een grote kans op een onvriendelijke ontvangst.

Verandering van houding; goeie vangnetten
Waar het in het tegengaan van pesten uiteindelijk allemaal om draait, is het veranderen van de houding van leerlingen. Per slot van rekening zijn zij het die met pesten beginnen, of het passief voort laten bestaan door er niets over te zeggen. Leerlingen moeten leren dat geweld, in ieder geval óp de school en wellicht ook daarbuiten, niet door de beugel kan en ook niet loont. Leerlingen zullen hun gedrag echter niet zomaar uit zichzelf veranderen. Alleen onder goede begeleiding van de docent en in een goed schoolklimaat kan verandering plaatsvinden. Daarvoor is het van belang dat de docent en de schoolleiding een verzameling hulpmiddelen heeft om pesten te signaleren, te bestrijden en te voorkomen. Natuurlijk weten de docent en de schoolleiding ook niet altijd alles en kunnen ze ook niet altijd alles. Daarom moeten er vangnetten zijn voor gevallen waarin pesten toch de kop op blijft steken. Op de school kunnen deze vangnetten de vorm aannemen van een vertrouwenspersoon en een klachtencommissie en -procedure.

Een overzicht van taken
Het hieronderstaande overzicht geeft in het kort weer wat er moet gebeuren om het pesten tegen te gaan.

A. De taak van de schoolleiding:
B. Wat de docent kan doen:
C. Het belang van vangnetten:
A. De taak van de schoolleiding
Zoals hierboven reeds uiteengezet, heeft de schoolleiding er alle belang bij pestpraktijken de kop in te drukken. Voor een succesvol anti-pestbeleid is het belangrijk dat de schoolleiding zich hier op een opbouwende manier mee bezighoudt.

De schoolleiding moet:
  1. zich bewust worden van de problemen en de mogelijke oplossingen;
  2. duidelijk maken wat ze wil en gaat doen;
  3. ook daadwerkelijk dingen doen die resultaat opleveren.

Bewustwording
Allereerst moet de schoolleiding doordrongen zijn van de ernst van de pestproblematiek in het algemeen. Daarnaast moet het besef groeien dat de eigen school hier zelf ook mee te maken heeft, of er nu wel of geen concrete problemen aan het licht zijn gekomen. De schoolleiding moet zich ook realiseren dat er iets aan de problemen gedaan kan worden, wat er precies gedaan kan worden, en welke rol de leiding hierin zelf heeft. Vanzelfsprekend probeert deze website algemene informatie betreffende het pestprobleem zo volledig mogelijk aan te bieden. Daarnaast kan de leiding zich specifiek wat de eigen school betreft onder andere informeren door middel van de zogenoemde Pesttest. Leerlingen moeten voor deze test anoniem vragen beantwoorden. De test geeft zicht op wat voor pesterijen er plaatsvinden en waar en hoeveel er gepest wordt in een groep, klas of school. Ook wordt nagegaan welke aanpak tegen pesten wordt toegepast. Op basis van de ingevoerde gegevens maakt het programma een berekening. De resultaten worden vergeleken met de gemiddelde situatie op Nederlandse scholen voor basis- en voortgezet onderwijs. De uitkomsten kunnen worden afgedrukt. De Pesttest is in 1997 verschenen bij het campagnepakket. Deze vragenlijst op diskette is ontwikkeld op initiatief van de landelijke organisaties voor ouders in het onderwijs (LOBO, NKO, Ouders & COO en de VOO). De aanpak van pestproblemen staat overigens niet op zichzelf, maar moet onderdeel zijn van een schoolbeleid dat onder meer aandacht besteedt aan een goed opvoedkundig klimaat op school.

Stellingname
De schoolleiding moet naar buiten toe, zowel naar de docenten, de leerlingen, als naar de ouders duidelijk maken dat pesten niet toelaatbaar is. Slachtoffers weten dan dat "de school" in principe aan hun kant staat; pesters en leerlingen die pesters zouden kunnen gaan worden krijgen in de gaten dat er op ze gelet wordt. Voor docenten heeft dit aan de ene kant tot gevolg dat ze bewust worden van een bepaalde verantwoordelijkheid, aan de andere kant dat ze gesteund worden door het besef dat niet alle last alleen op hun schouders rust. Op de school kunnen posters opgehangen worden en de leiding kan de schoolkrant gebruiken om aan iedereen duidelijk te maken hoe de zaken er voor staan. Ouders kunnen ingelicht worden door middel van een folder en een ouderavond.

Maatregelen
Als de schoolleiding geen maatregelen neemt is de kans klein dat er verbeteringen in de pest-situatie komt. Ook zal de geloofwaardigheid van de schoolleiding er sterk onder lijden: "veel woorden maar geen daden". Het is de rol van de schoolleiding om te zorgen voor een bepaalde systematiek om het pestprobleem op school aan te pakken. Om te zorgen dat het ingrijpen volledig is en langdurige verandering oplevert, is het belangrijk dat:

  • de aanpak op democratische wijze tot stand komt;
  • de aanpak stoelt op zowel het geven van informatie, het opwekken van betrokkenheid bij de problematiek, het er voor zorgen dat het schoolklimaat verbetert, als het passend uitoefenen van gezag;
  • er gebruik wordt gemaakt van een overkoepelend verklaringsmodel (van het ontstaan en de bestrijding van pesten), als ook van de drie psychologische mechanismen (de samenzwering om te zwijgen, het omstanderdilemma en de neiging het slachtoffer de schuld te geven);
  • de aanpak goed naar alle betrokken schoolgeledingen gecommuniceerd wordt (leerkrachten, leerlingen, ouders, ondersteunend personeel, medezeggenschapsraad moeten goed op de hoogte worden gebracht en naar hen moet ook geluisterd worden);
  • deze schoolgeledingen officieel met elkaar afspreken dat ze de aanpak ondersteunen, bijvoorbeeld door ondertekening van een pestprotocol waarin de hele aanpak uit de doeken gedaan wordt;
  • er concrete maatregelen en activiteiten tot stand komen;
  • deze maatregelen en activiteiten niet na een tijdje ophouden, maar voort blijven duren;
  • de resultaten gemeten worden om later te kijken wat het effect ervan is geweest. Voor en na het longitudinale project kan de verandering bij de leerlingen, leerkrachten en ouders worden gemeten, bijvoorbeeld op de wijze aanbevolen door Dekkers.
Maatregelen die de schoolleiding kan nemen kunnen in twee groepen verdeeld worden: maatregelen die zijn gericht op het regelen en ondersteunen van het bestrijden van pesten en maatregelen die vangnetten voor slachtoffers in het leven roepen. Bestrijdingsmaatregelen zijn erop gericht om pesten te voorkomen dan wel af te remmen; slachtoffervangnet-maatregelen zijn gericht op het opvangen van slachtoffers van zich reeds voordoende pesterijen.

Bestrijdingsmaatregelen:
  • Het maken van een handleiding die beschrijft hoe men binnen alle geledingen van de school om moet gaan met pestproblemen. In 1996 verscheen het Nationaal onderwijsprotocol tegen pesten van de onderwijspsycholoog Bob van der Meer, dat hierbij kan helpen.
  • Het kiezen en uitvoeren van een goed project of programma gericht tegen pesten, bijvoorbeeld Lespakket Riagg Noord-Oost Noord-Brabant, of Van der Heiden en Van den Voort.
  • Docenten stimuleren en gelegenheid geven een cursus te volgen om pesten effectiever te hanteren.
  • Nagaan wat op de school de factoren zijn die veel stress bij de leerlingen veroorzaken en deze stress proberen te verminderen om de draaglast voor de leerlingen lichter te maken.
  • Het organiseren van een themadag over pesten; mogelijk voor één of meerdere klassen, al dan niet met daarbij ouders en gastsprekers uitgenodigd.
  • Meer toezicht op het schoolplein mogelijk maken, pauzetijden veranderen, de indeling van het speelplein veranderen zodat er minder verborgen hoeken zijn.
  • De invoering van meerjarenprogramma's die de sociale vaardigheden van leerlingen vergroten, zoals:
    • het programma Beter omgaan met jezelf en de ander (Vos);
    • het PAD-programma (Louwe en Frenks);
    • het ZMOK-diepteproject Sociaal-emotionele Ontwikkeling (Van Lier, Hoeben & Van Lieshout, Bosch)

    In al deze programma's wordt door middel van een training aan leerkrachten indirect gewerkt aan "attitudeverandering": verandering van houding tegenover bepaalde zaken. In het laatstgenoemde project is de vertrouwensrelatie tussen leerkracht en leerling uitgangspunt.

  • Leerlingen zich meer verantwoordelijk voor elkaar te laten voelen door bijvoorbeeld de ouderejaars leerlingen te betrekken bij de opvang van nieuwelingen op school, het opzetten van een leerlingmentorsysteem, en het hen laten meegaan op brugklaskamp.

Slachtoffervangnet-maatregelen:
  • Het aanstellen van een vertrouwenspersoon;
  • Het instellen van een klachtencommissie- en procedure.


  • Beide vangnetmaatregelen zullen uitgebreider besproken worden in de paragraaf "Het belang van vangnetten".

B. Wat de docent kan doen
Zoals al eerder gezegd: de docent heeft aan alleen al de reguliere onderwijstaken een zware last. Onderstaand overzicht is bedoeld voor docenten die zich toch willen informeren over wat zij zelf kunnen doen tegen pesten. Wij zouden ook graag reacties ontvangen van docenten die willen vertellen over de mogelijkheden en onmogelijkheden, de successen en mislukkingen van hun bijdrage om pesten tegen te gaan. Bent u een leerkracht en heeft u een uitgesproken mening of leerzame ervaring die u met andere docenten wilt delen via deze website?(link textform)
Laat het ons weten!

Bewustwording
Wat geldt voor de schoolleiding, geldt ook voor de docent: hij of zij moet doordrongen zijn van de ernst van de pestproblematiek in het algemeen en dat hun eigen school en klassen hier ook mee te maken hebben, of er nu wel of geen concrete problemen aan het licht zijn gekomen. Het is ook belangrijk dat de docent beseft dat hij middelen heeft om iets aan de problemen te doen en wat die middelen precies zijn. Deze website probeert een ruime hoeveelheid informatie te verschaffen over alles wat met pesten te maken heeft. Waar nodig wordt doorverwezen naar de meer gespecialiseerde en professionele bronnen en trainingen.

Een dergelijke bron is bijvoorbeeld het Nationaal Informatiecentrum Leermiddelen (NICL), een afdeling van het Instituut voor Leerplanontwikkeling (SLO. Daar komen regelmatig vragen van leerkrachten binnen over hoe zij het pesten moeten aanpakken. Daarom heeft het NICL voor het basisonderwijs de (overigens niet alleen op pesten gerichte) NICL-beschrijvingspublicatie Sociaal emotionele ontwikkeling samengesteld. In deze 250 pagina's tellende publicatie worden twintig onderwijsleerpakketten, zestig thematische pakketten, twintig tests/toetsen/observaties en ruim honderd voor de onderwijspraktijk relevante vakliteratuurtitels beschreven. Achter in de publicatie is een uitgebreide lijst met adressen van hulpverleningsinstanties en informatiecentra opgenomen. Bij de beschrijvingen van de onderwijsleerpakketten kunnen leerkrachten met behulp van een tabel informatie vinden over de doelgroep en de aanwezigheid van tests/toetsen/observaties, een training voor leerkrachten of een invoeringsprogramma. Van alle onderwijsleerpakketten zijn foto's opgenomen. De thematische lesmaterialen komen uitgebreid aan bod in een apart hoofdstuk. De lesmaterialen en vakliteratuurtitels zijn geordend naar een aantal onderwerpen, zoals: concentratie, discriminatie, dood en rouwverwerking, faalangst, gedragsproblemen, gevoelens, kindermishandeling, seksualiteit en seksuele intimidatie, en ook pesten. In november 1997 is ook voor het voortgezet onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs een leermiddelenoverzicht Sociaal emotionele ontwikkeling verschenen.

Omdat pesten meestal in het verborgene plaatsvindt, is het voor de docent belangrijk om gespitst te zijn op signalen die de kant van pesten op kunnen wijzen. Pesten is een uiting van frustratie, maar er zijn ook andere vormen van agressie die de richting op kunnen wijzen van een verhoogde kans op pesten:

  1. Indirecte agressie tegen de school zoals spijbelen en voortijdig de school verlaten;
  2. Directe agressie in de vorm van het vernielingen en andere criminaliteit;
  3. Woordelijke en lichamelijke agressie gericht tegen personen die door daders als afwijkend gezien worden, zoals homoseksuelen en buitenlanders;
  4. Agressie tegen de leerkracht zelf;
  5. Agressie van iemand (het slachtoffer in dit geval) tegen zichzelf: een laag zelfbeeld, psychosomatische klachten (bijvoorbeeld rugklachten), zelfverminking en in het ergste geval zelfdoding.
Tenslotte is het belangrijk dat bestaande en mogenlijk nog komende problemen met leerlingen, of die nu op het terrein liggen van pesten, faalangst, concentratie, of (een vermoeden van) kindermishandeling, zowel bij leerkrachten onderling als tussen leerkrachten en leerlingen bespreekbaar te zijn.

Stellingname
De docent moet naar de leerlingen toe duidelijk maken dat pesten ontoelaatbaar is. Slachtoffers weten dan de docent in principe aan hun kant staat; pesters en leerlingen die pesters zouden kunnen gaan worden weten dat er op hen gelet wordt. Het is voor leerkrachten belangrijk om eerlijk bij zichzelf na te gaan of ze echt wel tegen pesten zijn.
Docenten kunnen bijvoorbeeld bang zijn voor:
  • het onderwerp pesten
  • bepaalde lesactiviteiten die ze niet beheersen (bijvoorbeeld rollenspellen)
  • het praten met leerlingen over pesten;
  • bepaalde ouders;
  • het zich in het algemeen ergens duidelijk achter scharen of tegen uitspreken;
  • het vertellen aan collega's iets niet te kunnen of te willen;
  • het zelf slachtoffer worden van pesten.
Maatregelen
Maatregelen die de leerkracht kan nemen om het pesten tegen te gaan is waar het eigenlijk voor een heel groot deel om draait in de pestproblematiek. Vanzelfsprekend zijn er geen vaste klip en klare maatregelen die overal en altijd werken. Elke klas, elke docent en elke situatie is verschillend. Deze paragraaf doet de leerkracht algemene en specifieke suggesties aan de hand, zodat deze in ieder geval een verzameling van middelen heeft, een gereedschapskist als het ware, om mee te proberen het pesten aan te pakken. Vanzelfsprekend is het heel belangrijk dat de leerkracht als "modelpersoon" voor leerlingen zelf vierkant tegen pesten is. Als een docent aan de ene kant wel wel lessen aan pesten besteedt, maar er uit zijn of haar lichaamstaal of gedrag blijkt dat pesten eigenlijk toch mag (of sterker nog: deze zelf pest), krijgen de leerlingen de verkeerde boodschap. Zoals al eerder vermeld in deze rubriek, hopen de makers van deze website dat er leerkrachten zijn die over hun ervaringen met een bepaalde aanpak willen vertellen, of beter nog: dat ze nieuwe suggesties hebben inzake de aanpak van pesten.
Ruwweg zijn er twee soorten maatregelen: voorkomingmaatregelen (preventieve maatregelen), die erop gericht zijn om pesten moeten voorkomen en bestrijdingsmaatregelen (curatieve maatregelen), die erop gericht zijn reeds plaatsvindende pestpraktijken een halt toe te roepen. Voorkomingsmaatregelen zijn vaak meer een zaak van de lange termijn; bestrijdingsmaatregelen zijn daarentegen veelal gericht op het bestrijden van acute pestproblemen.

Voorkomingsmaatregelen
Ervoor kunnen zorgen dat leerlingen sowieso niet beginnen met pesten is natuurlijk ideaal. Daar kan een docent concreet het volgende voor doen:
  • Meer contact onderhouden met de leerlingen buiten de lessen, bijvoorbeeld in de vorm van meer toezicht op het schoolplein.
  • Agressie kanaliseren door middel van sport en debat;
  • Agressie voorkomen door afleiding;
  • Leerlingen meer eigen verantwoordelijkheid geven;
  • Leerlingen leren creatief om te gaan met schoolfrustraties, bijvoorbeeld door ze enerzijds zich te leren concentreren, en anderzijds zich effectief te leren ontspannen en afstand te nemen van verplichtingen;
  • De draagkracht, de stressbestendigheid, van kinderen te vergroten, bijvoorbeeld door ook eens een les te besteden aan hoe je in het algemeen een probleem oplost in plaats van alleen maar met de vakmatige stof bezig te zijn;
  • De klas vanaf eerste schooldag begeleiden om onderlinge strijd tussen leerlingen in goede banen te leiden;
  • Zelf als docent respect afdwingen door op een positieve manier duidelijk leiding te geven aan een klas, respect te tonen aan de leerlingen, zelfrespect te hebben en uit te stralen, inwendig de emoties te beheersen bij uitdagend gedrag van leerlingen, te werken met daden in plaats van woorden waar dat nodig is, consequent en eerlijk op te treden.

Bestreidings maatregelen
Als je als docent te maken hebt met pesterijen in volle gang (vaak merken docenten pas het een en ander op als het pesten al lang aan de gang is), dan moeten er bestrijdingsmaatregelen genomen worden. Er zijn twee soorten bestrijdingsmaatregelen: confronterende en niet-confronterende. Confronterende maatregelen houden in dat de klas openlijk en direct wordt aangesproken op de pesterijen. Dit ligt het meest voor de hand als er sprake is van openlijke pesterijen. Hierbij kan het van belang zijn om op de één of andere manier rekening te houden met het feit dat er leerlingen kunnen zijn die een bepaald aanzien binnen de klas genieten en die de rest de klas met zich mee kan krijgen.
Confronterende maatregelen kunnen bestaan uit:
  • het van pesten een lesthema maken;
  • het hulp bieden aan het slachtoffer; deze begeleiden en/of doorverwijzen;
  • het voeren van een gesprek met pester en eventueel de ouders van de pester. Het is namelijk gebleken dat de houding van kinderen zeer sterk overeenkomt met die van de ouders. Het moet aan zowel pester als ouders duidelijk zijn dat pesten verboden is en dus niet geaccepteerd wordt. Ook moet er naar een oplossing toegewerkt worden. Na een grondige analyse kan het blijken dat het pestgedrag grotendeels wordt veroorzaakt door de opvoeding van de ouders. Dan hebben naast de pester ook de ouders hulp nodig. Deze hulp kan in bepaalde gevallen zelfs criminaliteitspreventie betekenen. Overigens kunnen ook ouders zich op de school agressief gedragen. Enkele gemeenten hebben richtlijnen opgesteld die voor leerkrachten uiteenzetten hoe in zo'n geval gehandeld moet worden (Werkgroep Agressie Den Haag, 1995).
Niet-confronterende maatregelen houden in dat het pestprobleem in de klas via een indirecte manier bespreekbaar wordt gemaakt. Dit ligt het meest voor de hand als er sprake is, of er een vermoeden is, van pesterijen die verborgen worden gehouden. Juist als het pesten al lang aan de gang is, is het gevaarlijk om het pesten op een openlijke, directe manier te bespreken. Dat komt doordat de pesters dit interpreteren als verraad door het slachtoffer aan de docent. Dit zal vaak nog ergere pesterijen uitlokken.
De niet-confronterende maatregelen kunnen bestaan uit:

  • het bieden van hulp aan het slachtoffer; deze begeleiden en/of doorverwijzen;
  • het aanroeren van pesten via het onderwerpen als oorlog en vrede, mensenrechten, of machtsmisbruik


Als middel om het pesten tegen te gaan kan er aan het begin van het schooljaar in de brugklassen (maar ook in hogere klassen) een contract om niet te pesten afgesloten worden. Het is de bedoeling dat de leerlingen in een klas in kleine clubjes uiteengaat en een aantal regels opstellen waaraan ze zich in het vervolg moeten houden. Zo kan er afgesproken worden dat er bijvoorbeeld niet gescholden wordt en dat het melden van pesten tegen bijvoorbeeld een mentor geen klikken is, maar bijvoorbeeld gezien kan worden als "aan de noodrem trekken". De overeengekomen regels worden door iedereen ondertekend. Een dergelijke aanpak biedt zowel houvast voor de leraar, als eigen verantwoordelijkheid de voor leerling. Ook geef dit contract een duidelijk waarschuwend signaal aan leerlingen die zich zouden kunnen gaan ontwikkelen tot pesters. Het is een mogelijkheid het contract niet alleen door leerlingen, maar ook door de docent en iemand van de schoolleiding te laten tekenen. Dit kan voor de leerlingen het idee versterken dat het de schoolleiding "menens" is.

Een pestcontract kan er als volgt uitzien:



ANTI-PESTCONTRACT

Allen die dit contract ondertekenen, zullen zich aan de afspraken moeten houden, zowel op school als daarbuiten.

Afspraken:

  1. Elkaar niet beoordelen op schoolresultaten;
  2. Je mag een andere mening hebben;
  3. Niet uitschelden of uitlachen;
  4. Niet beoordelen op het uiterlijk van elkaar;
  5. Niet beoordelen op de kleding van elkaar;
  6. Niet 'zomaar' pesten;
  7. Niet meedoen met pesters;
  8. Niet pesten om vrienden te krijgen;
  9. Niet met elkaar bemoeien;
  10. Geen partij kiezen bij ruzie;
  11. Eerlijk zijn;
  12. Elkaar helpen als iemand hulp nodig heeft;
  13. Niet na-apen;
  14. Luisteren naar elkaar;
  15. Vertellen aan de leraar is niet klikken;
  16. Word je gepest, praat er dan over;
  17. Niet dreigen, chanteren of afpersen;
  18. Elkaar niet beoordelen op vriendjes of vriendinnetjes;
  19. Als iemand je iets in vertrouwen vertelt, mag je niets doorvertellen;
(gevolgd door namen en handtekeningen van het schoolhoofd, de leerkracht en de leerlingen)



Wat kan de docent Nederlands doen?
De docent Nederlands kan het onderwerp pesten behandelen door de leerlingen
  • boeken over dit onderwerp te laten lezen en te bespreken;
  • opstellen over pesten te laten schrijven;
  • te hun discussie-vaardigheid te oefenen met dit onderwerp
Wat kan de docent lichamelijke opvoeding doen?
De docent lichamelijke opvoeding kan een bijzondere rol spelen bij een bestrijden van pesten. Het vak biedt vele verschillende mogelijkheden om het gedrag van leerlingen in de gaten te houden. Als er nog geen anti-pestbeleid op de school bestaat, kan daar vanuit dit vak verandering in worden gebracht. Verder kan het vak ook gebruikt worden voor het vergroten van de draagkracht van leerlingen en het op een acceptabele manier kanaliseren van agressie. In verband met het goed kanaliseren van agressie maakt het nogal wat uit hoe het vak lichamelijke opvoeding gegeven wordt, omdat het ook een aanjager van pestgedrag kan zijn.

Observatie
Om terug te komen op de observatie-mogelijkheden: het signaleren van bijvoorbeeld mishandeling, incest en gedragsveranderingen ligt hier veel meer voor de hand dan bij de overige pakken, die meer individueel zijn en minder lichamelijk. Als het de docent opvalt dat bepaalde leerlingen als zondebok behandeld worden, moet deze dit meteen melden of zelf ingrijpen.

Draagkracht vergroten
Het vak lichamelijke opvoeding kan ook bijdragen aan een vergroting van de lichamelijke en geestelijke draagkracht van de leerlingen. Mogelijkheden daartoe zijn: overlevingstochten, de Coopertest en zelfverdedigingtechnieken die niet zozeer een beroep doen op lichamelijke, maar veeleer op geestelijke weerbaarheid.

Kanaliseren van agressie
Tenslotte kan het vak de draaglast van leerlingen helpen verminderen, door onder andere agressie te kanaliseren en samenwerking tussen leerlingen te bevorderen.

Sporten zonder onderlinge competitie
Een groot gevaar van het vak lichamelijke opvoeding is dat het, door een overmaat van onderlinge competitie, het pesten kan aanjagen. Dit kan voorkomen worden door met de volgende punten rekening te houden:

De manier waarop teams samengesteld worden
Als bepaalde leerlingen zelf door het uitkiezen van anderen hun team mogen samenstellen, komt hiermee meteen al een sportieve en sociale rangorde van winnaars en verliezers te voorschijn. Als de samenstelling van teams altijd op deze manier gebeurt, gaat het zelfbeeld en zelfvertrouwen van de leerling die minder motorisch vaardig is omlaag. Er zijn betere manieren om teams in te delen, bijvoorbeeld op grond van:
  • Alfabetische volgorde van de voor- of achternaam;
  • Leeftijd of maand van geboorte;
  • Verschil in lengte;
  • Kleur van kleding;
Sporten zonder wedstrijd-element
Alle niet-teamsporten kunnen op een niet-wedstrijd-manier beoefend worden. De nadruk ligt dan op een verbetering van het persoonlijk record ("vechten tegen jezelf"), een teamrecord of een verbetering van het klasrecord.

Voorbeelden hiervan zijn:
  • Individuele beoefening van volleybalvaardigheden;
  • Hardlopen over een korte afstand;
  • Duurlopen volgens de Coopertest.
  • Leerlingen opdrachten laten uitvoeren die hun probleemoplossend vermogen kunnen vergroten.

    Voorbeelden:
  • De docent geeft de groepsopdracht om zo snel mogelijk met behulp van diverse attributen van punt A naar punt B in de zaal te gaan. Een dergelijke opdracht vraagt overleg en samenwerking en doet ook een beroep op andere dan motorische kwaliteiten.
  • De docent geef elke groep de opdracht om gezamenlijk een verschillende totale lengte van exact een bepaald aantal meters ver of hoog te springen. De laatste leerlingen die aan de beurt is, hoeft dan waarschijnlijk niet bijzonder hoog of ver, maar moet wel uiterst nauwkeurig presteren. Competitie tussen de groepen wordt in deze opdracht voorkomen, doordat aan elke groep een andere hoeveelheid, afstand of hoogte gegeven wordt. Door deze opdracht leren leerlingen ook naar andere dan alleen fysieke kwaliteiten van klasgenoten te kijken en leren de leerlingen bovendien met elkaar te overleggen en een strategie te bepalen.

    Al deze activiteiten geven minder kans aan competitie en het ontstaan van strijd met de bijbehorende verliezers en slachtoffers. Er hoeven geen verliezers te zijn en er is derhalve minder gevaar voor verlies van zelfvertrouwen. Wel is er sprake van succeservaringen en van het ideeF iets bereikt te hebben wat misschien onbereikbaar leek. Deze ervaringen en dit idee helpen de leerlingen om hun zelfvertrouwen op te bouwen of te verbeteren.
Wat kunnen docenten van andere vakken doen?
Docenten van andere vakken kunnen natuurlijk het pesten openlijk bespreken, maar wellicht zijn er vakspecifieke manieren denkbaar om het pesten via een omweg ter sprake te brengen. Het behandelen van het onderwerp pesten kan bij de moderne talen wellicht door het lezen en vertalen van een tekst over het onderwerp pesten, of er een boeken over te lezen. In de rubriek Literatuur en Publicaties staan een aantal voorbeelden van boeken die min of meer met het pestprobleem te maken hebben. Bij geschiedenis/maatschappijleer kan misschien een verband gelegd worden tussen pesten en politieke gevangenen, de vervolging van regionale minderheden en de vervolging van Joden voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Aardrijkskunde kan een verband met pesten leggen door bijvoorbeeld het centrum-periferie model te bespreken, en natuurkunde middels het verschijnsel druk. Heeft iemand een idee voor de andere vakken?


C. Het belang van vangnetten
Zelfs al doet een school een krachtige poging om het pesten tegen te gaan, dan nog kan pesten de kop opsteken. In dat geval is het belangrijk dat het slachtoffer altijd bij een vertrouwenspersoon moet kunnen aankloppen voor hulp. Als het slachtoffer en de ouders zich door de school niet serieus genomen voelen, moet er ook een mogelijkheid zijn om een formele klacht tegen de school in te dienen. Het belang van de aanwezigheid van zowel een vertrouwenspersoon als een klachtencommissie wordt onderstreept door de vierde emancipatienota, waarin de aanbeveling staat dat iedere onderwijsinstelling moet beschikken over een vertrouwenspersoon, een klachtencommissie en een klachtenprocedure.

Vertrouwenspersonen
De vertrouwenspersoon kan een toevluchtoord zijn voor al diegenen, die machtsmisbruik of geweld op de school ondervinden. De vertrouwenspersoon neemt het op voor het slachtoffer en dient zonodig een klacht in bij een onafhankelijke klachtencommissie. Op dit moment is de drempel naar de vertrouwenspersoon voor vele leerlingen te groot. Om de drempel te verlagen moeten leerlingen kunnen kiezen uit een aantal vertrouwenspersonen, zodat ze iemand kunnen kiezen die bij hem of haar past. Hieronder moeten ook vertrouwenspersonen zijn die leerlingen niet in de les tegenkomen. Verder moeten vertrouwenspersonen wat tijd en plaats betreft goed toegankelijk zijn, zowel direct als via de telefoon, de post als e-mail. En misschien moeten leerlingen ook op een anoniemere manier benaderbaar zijn, via e-mail: buiten de ouders en de klasgenoten om.

Klachtencommissie en klachtenprocedure
Een klachtencommissie bestaat uit een groep onafhankelijke personen en is ervoor om volgens een vastgestelde procedure klachten van ouders en leerlingen tegen de school te behandelen en daarover uitspraak te doen. Het inschakelen van een klachtencommissie moet gezien worden als het uiterste middel, dat gebruikt wordt als al het andere al geprobeerd is maar geen effect had. De schoolleiding moet zich inspannen voor het opzetten van een klachtencommissie, maar moet ook de onafhankelijkheid ervan erkennen. Een klachtencommissie kan bestaan uit twee ouders, twee leerlingen en twee docenten. Uitspraken van de commissie moeten gemakkelijk kunnen leiden tot veranderingen.



Bron: Voor een compleet overzicht van auteurs, publicaties en boeken, zie de rubriek Literatuur.



Terug


Laatst bijgewerkt d.d. 02-10-1999